Heeft de ‘Chan-bank’ reeds bij aanvang haar krediet verspeeld?
Wat door de
President van de Republiek Suriname eerder werd genoemd het Diasporafonds en in
de volksmond ook wel de ‘Chan-bank’ is genoemd, is uiteindelijk het Diaspora
Instituut Nederland (DIN) geworden. De president beroept zich op 1 miljoen
inwoners in den vreemde die blijkbaar belangstelling zouden hebben om via dit
instituut geld beschikbaar te maken voor Suriname. Het zal voor een ieder
duidelijk zijn dat de regering Santokhi-Brunswijk in Suriname snel en veel geld
nodig heeft. Dit geld is niet alleen nodig om de lopende uitgaven en aan de
lopende aflossingsverplichtingen te voldoen, maar ook om een resultaat te
bereiken tijdens deze regeerperiode.
Diasporabank in
Nederland mogelijk en noodzakelijk?
De aangetrokken
diaspora-adviseurs van de Surinaamse regering hebben aanbevolen om in Nederland
een Diasporabank op te zetten, om zo geldstromen uit het buitenland aan te trekken.
Niet alleen is dit onverstandig, maar ook kansloos. Onverstandig om een bank in
Nederland te vestigen, omdat dit aangeeft dat men zelf weinig vertrouwen heeft
in het Surinaams bankwezen en het toezicht van de Centrale Bank van Suriname.
Kansloos, omdat men er niet in zal kunnen slagen om de vereiste vergunning te
verkrijgen en vervolgens te kunnen voldoen aan het toezicht van De Nederlandsche
Bank. Niet alleen zal men gekwalificeerde bestuurders en toezichthouders van
onbesproken gedrag moeten voordragen ter goedkeuring door de Nederlandse
toezichthouders, en dus niet op voorhand bevriende relaties zonder de
gebruikelijke kwalificaties, de instelling zal ook aan de solvabiliteits- en
liquiditeitseisen moeten voldoen en aanwijzingen van de toezichthouder De
Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten moeten opvolgen. Als dit
laatste niet gebeurt kunnen er lastgevingen onder dwangsom worden uitgericht,
en dan spreken we over forse bedragen.
Ook het verscherpt
toezicht op verdachte transacties en de eisen aan cliënt en
transactie-identificatie zullen het bestaan van een Diasporabank in Nederland
niet eenvoudig maken, en op zijn minst erg kostbaar. Waarom er niet gedacht is
aan een virtuele bank in Suriname die wereldwijd opereert is onduidelijk, maar
op zijn minst opmerkelijk. Ook het vestigen van een Surinaamse bank in
Nederland als groeimodel is ook niet in kaart gebracht.
De vraag is
bovendien, waarom zou iemand geld willen investeren in een Diasporabank van de
Surinaamse overheid, als er voldoende alternatieven zijn? Bijvoorbeeld via
obligaties of aandelen in een Surinaamse onderneming, en het geld overmaken via
een reguliere bankrekening, of de alternatieve geldtransactiekantoren die
wereldwijd opereren.
Een bank en daarmee
het aantrekken van fondsen staat en valt met vertrouwen van financiers. Niet
alleen een betrouwbaar management, toereikend toezicht en transparante
communicatie en verantwoording zijn essentieel voor vertrouwen in een bank. Ook
een betrouwbare en integere overheid zijn nodig om dit vertrouwen op te bouwen.
Dit zal echter tijd kosten, aangezien het verleden heeft laten zien dat men dit
vertrouwen beschaamd heeft. En natuurlijk willen investeerders uiteindelijk rendement
zien op basis van het risico dat zij willen nemen.
Over de
Diasporabank zijn overigens geen verdere details verstrekt t.a.v.
doelstellingen, operaties, bedrijfsvoering, vorm en opzet. Ook de risico’s voor
de overheid zijn niet in kaart gebracht, als het uiteindelijk toch niet van de
grond komt. Daarmee lijkt het meer op een proefballon waarover niet al te veel
is nagedacht, en minder een serieus plan om structureel te werken aan een
continue financiering binnen een betrouwbaar en goed functionerend banksysteem.
Bestaande
initiatieven en structuren buiten spel
Er zijn al initiatieven
en structuren die het investeren en aantrekken van financieringen in Suriname
moeten vergemakkelijken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het
Competitive Unit Suriname (CUS) dat sinds 2012 werkzaam bestaat, of de Kamer
van Koophandel en Fabrieken die daar een rol in heeft. Waarom deze buiten spel
worden gezet en daarmee niet gebruik wordt gemaakt van opgedane kennis en
ervaring, blijft een vraag. Dit gebrek aan vertrouwen is niet constructief voor
dergelijke nieuwe initiatieven als een Diasporabank, die dan ook weer op hun
beurt met wantrouwen worden bezien.
Bovendien kan de
vraag gesteld worden of de Surinaamse overheid niet moet werken aan het
faciliteren van het binnenhalen van het kapitaal door het wegnemen van obstakels
t.a.v. het vestigingsklimaat. Denk hierbij aan het snel verkrijgen van een
vergunning, een goed toegankelijke overheid (e-government) en adequate
infrastructuur. Het bedrijfsleven in Suriname kan dan zelf de contacten leggen
op basis van een goed investeringsklimaat. Te vaak blijkt namelijk dat de
overheid juist zelf het aantrekken van buitenlands kapitaal en binnenlandse
groei bemoeilijkt.
Door zelf te zoeken
naar fondsen trekt de overheid duidelijk een te grote broek aan, en laat ze
kansen voor de versterking van het bedrijfsleven liggen. Uiteindelijk zijn het namelijk
ondernemers die groei van de economie kunnen bewerkstelligen en duurzaam laten
zijn met een lange termijnvisie, los van politieke korter termijn ambities.
Eigen adviseurs en
geen leiderschap
Interessant aan de
regering Santokhi-Brunswijk is dat de president zelf alle initiatieven neemt en
ook onder zijn leiding wil hebben. Deze vorm van micro-management is niet wat
je van een staatshoofd zou verwachten. Het staatshoofd zou leiderschap moeten
tonen en het kabinet zou de uitvoering moeten doen van de regeringsplannen. De
werkwijze die de President hanteert heeft een groot afbreukrisico voor hemzelf
maar ook voor de Republiek Suriname.
Natuurlijk, elk
falen, of uitblijven van succes zal op de president zelf afstralen. Het is immers
zijn idee en hij voert het uit. Daarnaast blijven bij uitvoeringsproblemen regeringslieden
buitenschot. De president maakt zich kwetsbaar door veel zaken in detail te
willen regelen, wat natuurlijk het gevaar van fouten heeft en kan leiden tot bijziendheid,
waardoor het groter geheel uit het oog wordt verloren.
Dit brengt mij op
een ander punt. Waarom wordt gebruik gemaakt van adviseurs die zichzelf
opwerpen en hun deskundigheid en geschiktheid nog moeten aantonen? Het is buitengewoon
onverstandig en inefficiënt om aanwezige deskundigheid en ervaring niet te
gebruiken. Denk bijvoorbeeld aan President Venetiaan, oud-minister Hildenberg
of de voormalig president van de Surinaamse Centrale Bank, de heer Telting. Zij
kunnen als minister van staat of deskundige uitstekend advies geven en zijn
bekend met de politieke dimensies en de agenda’s van adviseurs.
Wel een Instituut
geen Diasporafonds of Diasporabank?
Het eerste project
dat onder leiding van de voorzitter Kathleen Ferrier is een pakkettenproject.
Wat Suriname heeft met pakketten is mij altijd een raadsel gebleven. Ik zelf denk
aan zo’n kerstpakket waarin producten zitten die je altijd laat staan tot ze
over de vervaldatum zijn, of je moet weggeven omdat je het nooit gaat gebruiken
(‘..ik lust dat ding niet..’). Bovendien zullen uiteindelijk de leveranciers de
lachende derde zijn, die goederen tegen ‘kostprijs’ zullen leveren; maar altijd
de volle buit zullen pakken.
Zonder aan te geven
wanneer en hoeveel pakketten er zullen worden gedistribueerd in Suriname, staat
bij het Diaspora Instituut Nederland wel vast dat het producten zijn die
vervaardigd zijn in Suriname. Het is volkomen onbegrijpelijk waarom zo
omslachtig steun wordt gegeven via pakketten door een instelling in Nederland
aan inwoners in Suriname. Naast de kosten van distributie en transport die ten
laste van de middelen gaan, is het verstrekken van een waardebon zoveel
eenvoudiger, effectiever en net zo goed te controleren. Wellicht is dat toch minder
sexy dan een systeem van pakketten. Ziet u het al voor u dat op 25 november
mevrouw Ferrier en mevrouw Santokhi een pakket overhandigen als hoogtepunt van
het Diaspora Instituut?
@Gabbar Singh
No comments:
Post a Comment